Diagnose van de ondergrond

Print deze pagina Klik hier om deze pagina aan te raden aan een vriend !

De 6 noodzakelijke stappen

De hechting van de gietvloer- of egalisatiemortel hangt af van de kwalitatieve voorbereiding van de ondergrond en de vooraf gemaakte diagnose. Hieronder volgen de middelen om de diagnose uit te voeren. De ondergrond dient steeds hard, cohesief, stabiel, zuiver, droog en voldoende poreus te zijn


1 - Hardheid

Hoe de hardheid van de ondergrond controleren ?

De ondergrond dient hard en resistent te zijn om scheurvorming en loskomen van de bekledingen te vermijden

De krastest evalueert de objectieve beoordeling van de oppervlaktehardheid :

Met een scherpe staalnagel, krast men meerdere evenwijdige lijnen met een
tussen afstand van 6 mm naast elkaar

Aansluitend herhaalt men deze handeling in een hoek van 40 tot 60 graden over de vorige krassen zodat er een rasterwerk ontstaat

Bij een goede oppervlakthardheid moeten de kruispunten van het rasterwerk zuiver en zonder afbrokkeling zijn

Tevens de hardheid van de bestaande dekvloeren (magere, verbrande dekvloer, ...) op de totale dikte onderzoeken. De dekvloer dient cohesief te zijn

Indien de ondergrond niet hard genoeg is, deze verwijderen om op een toegelaten onderlaag uit te komen



2 - Hechting

Hoe de goede hechting van de goede hechting van de bestaande bekleding controleren ?

Bestaande bekledingen dienen volledig te hechten om loskomen te voorkomen

Verlijmde of in de mortel gelegde bekledingen

De hechting van de bestaande tegels met een hamer onderzoeken

Alle holklinkende delen verwijderen of (bij tegels) herkleven

Verf

Om de hechting van een verf te testen, een kruisproef uitvoeren door in de verf te kerven met een mes of cutter. Vakjes van 2 x 2 mm kerven op een totale oppervlakte van 10 x 10 cm

VERF (vervolg)

De verf wordt als hechtend beschouwd indien 80% van de vierkantjes blijven hechten. Zoniet, de verf schuren of decaperen



3 - Stabiliteit

Hoe de stabiliteit van de ondergrond ?

De ondergrond dient stabiel te zijn om scheuren in de vloermortel te voorkomen, die een zwelling of het loskomen van de dunne bekleding met zich meebrengen

Het gaat hier vooral om houten plankenvloeren of houten platen, geplaatst op vloerbalken

De vloerplanken mogen niet bewegen wanneer erop gelopen wordt

Bij gebrek aan stabiliteit, de vloerplanken vastvijzen en indien nodig waterbestendige houten platen aanbrengen.
De draagstructuur eventueel verstevigen. Nakijken of er aan de zijde van of onder de plankenvloer verluchting mogelijk is om schade aan het hout te voorkomen



4 - Porositeit

Hoe de aard porositeit van cementgebonden ondergronden controleren ?

De cementgebonden ondergrond dient normaal poreus te zijn om luchtbelvorming in de vloermortel en een te snelle uitdroging te vermijden

De ondergrond ontstoffen. Met een weinig water de ondergrond bevochtigen

Indien het water binnen de minuut geabsorbeerd wordt, beschouwd men de ondergrond als te poreus.
Behandelen met de porositeitsregelende hechtprimer weber.floor 4716



5 - Zuiverheid

Hoe de ondergrond reinigen en voorbereiden ?

De ondergrond dient zuiver te zijn om een goede hechting van de vloermortel toe te laten

Gipssporen

Gipssporen verwijderen met een plamuurmes. Zorgvuldig ontstoffen en nadien :

  • de grondlaag weber.floor 4716 op tegels of hout aanbrengen
  • de grondlaag weber.floor 4716 op een te poreuze cementondergrond en polybeton aanbrengen

Lijmresten

Lijmresten verwijderen zodat ze geen dun laagje meer vormen maar enkel
een verkleuring van het oppervlak geven. Met zorg ontstoffen. Op lijmresten (acryl, neopreen of epoxy) weber.floor 4712 aanbrengen

Vernis, boenwas, verf

Vernis of boenwas verwijderen. Verf reinigen. Zorgvuldig ontstoffen en de
grondlaag weber.floor 4716 of weber.floor 4712 aanbrengen



6 - Vochtigheid

Hoe het restvochtgehalte van de ondergrond controleren ?

Het aanbrengen van de gietvloermortels is afhankelijk van het restvochtgehalte van de ondergrond

Om het restvochtgehalte van de ondergrond te weten maken wij gebruik
van de CM-toestel. Het gebruik van het CM-toestel moet uitgevoerd worden
volgens de handleiding van de toestel. Er moeten minstens 3 CM-metingen
gebeuren om een representatieve waarde te bekomen